Boys will be boys (of kan het ook anders?)

Eind juli 2017 lanceert SIRE (Stichting Ideële Reclame) haar nieuwe campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?’ Als snel buitelen voor- en tegenstanders over elkaar heen. In Trouw van 1 augustus waarschuwen Emancipator-directeur Jens van Tricht en Movisie-projectleider Hanneke Felten dat SIRE met haar stereotiepe boodschap 100 jaar vrouwenemancipatie terugdraait en jongens tekort doet. Is het onderwerp van de SIRE-campagne inderdaad een probleem? Wat zegt de literatuur hierover? En is er verandering nodig in onderwijs en opvoeding om jongens meer tot bloei te laten komen?

Eerst kort iets over genoemde campagne. SIRE wil alle Nederlandse opvoeders aan het denken zetten over hun gedrag ten aanzien van jon­gens (SIRE, 2017a). “Voor jongens die te weinig ruimte krijgen, liggen onderpresteren, onzeker­heid en motivatieproblemen op de loer”, aldus Lucy van der Helm, directeur van SIRE in het persbericht over de campagne (SIRE, 2017b).

In hetzelfde persbericht onderschrijft gedragsdeskundige Lauk Woltring het belang van de campagne: “Hoewel ‘de jongen’ niet bestaat, is er een tendens gaande dat ‘jongensgedrag’ minder wordt gewaardeerd in onze maatschappij. We remmen jongens soms te veel af in hun gedrag. Zo leren zij minder uit eigen ervaring en dat remt hen in hun ontwikkeling.”

M/V prestaties in het onderwijs

Het verschil tussen jongens en meisjes staat al jaren op de agenda van onderwijsdebatten, workshops en symposia. Eens in de zoveel tijd wordt zelfs gescheiden onderwijs bepleit, zoals in 2011 toen de Besturenraad van christelijk voortgezet onderwijs (nu Verus) een oproep deed om te experimenteren met gescheiden lessen voor jongens en meisjes. Ook het idee dat er meer mannen voor de klas zouden moeten, keert regelmatig terug. Vanaf het eerste moment dat meisjes het beter lijken te doen in het onderwijs dan jongens, klinken er bezorgde geluiden. Jongens zouden op school zichzelf niet mogen zijn; mannelijk gedrag zou in de klas niet worden gewaardeerd en meisjesgedrag zou de norm zijn geworden (Weaver-Hightower, 2003; Veendrick, Tavecchio & Doornenbal, 2004).

De feminisering van het onderwijs wordt aangewezen als een van de oorzaken. Juffen zouden niet houden van competitie, waar jongens zo goed bij gedijen. Ze zouden bovendien jongens die steeds grenzen opzoeken maar lastig vinden. Diverse onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat deze verklaring onwaarschijnlijk is. Er zijn geen verschillen gevonden in prestaties en welzijn tussen jongens die weinig vrouwelijke leerkrachten hebben gehad en jongens die juist veel vrouwelijke leerkrachten hadden (Driessen & Doesborgh, 2004). Mannelijke en vrouwelijke leerkrachten beoordelen jongens en meisjes niet anders als het gaat om gedragsproblemen (Rietveld, Van Beijsterveldt & Boomsma, 2011). Vrouwelijke leerkrachten blijken juist betere relaties te hebben met leerlingen, ook met jongens, dan mannelijke (Spilt, Koomen & Jak, 2012).

De Vlaamse pedagoog Pedro de Bruyckere geeft in een artikel in Trouw van 25 juli 2017 aan dat de veronderstellingen in het jongensspotje van SIRE op een aantal hardnekkige mythes berusten. De Bruyckere schreef in 2016 samen met Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijspsychologie (Open Universiteit) en Casper Hulshof, psycholoog en docent onderwijskunde (Universiteit Utrecht), het boek ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes – 35 mythes over leren en onderwijs’. In het boek wordt de intuïtieve logica van 35 stellingen getoetst aan de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Enkele voorbeelden van deze stellingen zijn: mensen hebben verschillende leerstijlen; school vermoordt creativiteit; mannen hebben een ander soort brein dan vrouwen; gescheiden onderwijs aan jongens en meisjes is effectiever dan gemengd onderwijs; jongens hebben er baat bij als ze vaker les krijgen van een man. De conclusie van de auteurs: er blijkt geen overtuigend wetenschappelijk bewijs te zijn voor deze stellingen.

De oorzaken: nature-nurture debat

Interessant in dit kader is het zogenoemde nature-nurture debat. Meningen en veronderstellingen over oorzaken en achtergronden van het vermeende ‘jongensprobleem’ zijn medebepalend voor de richting waarin mogelijke oplossingen worden gezocht en hoe deze oplossingen vervolgens worden gewaardeerd (Heemskerk, Van Eck, Kuiper & Volman, 2012). Het nature-nurture debat kent twee tegengestelde visies. De eerste visie gaat er vanuit dat er tussen jongens en meisjes van nature onveranderbare verschillen (met een biologisch-genetische oorsprong) aanwezig zijn. De tweede visie (nurture) benadrukt de rol en invloed van de sociale omgeving en van sociaal-culturele factoren. In deze laatste visie – jongens en meisjes worden niet gezien als aparte groepen met specifieke, eenduidige kenmerken – spelen opvoeding, omgeving en onderwijs een rol. Het uitgangspunt hierbij is te kijken naar diversiteit binnen de groep leerlingen/studenten en dus ook bínnen de groep jongens en meisjes.

Nature: breinontwikkeling

Uit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van non-cognitieve functies bij jongens in de adolescentie een tot twee jaar achterloopt in vergelijking met die bij meisjes (Lenroot & Giedd, 2010). Non-cognitieve functies gaan niet over kennis, maar over gedrag en denkvaardig­heden die nodig zijn om kennis te verkrijgen en te kunnen toepassen, zoals planning, zelf­inzicht en zelfregulatie (Scherder, 2015). Onderzoek heeft bovendien aangetoond dat meisjes vaardiger zijn dan jongens in non-cognitieve functies die voor sociale interactie van belang zijn zoals zelfinzicht, zelfregulatie, impuls­beheersing, plannen & prioritering en inzicht in de intenties en emoties van anderen (Veroude, Jolles, Croiset & Krabbendam, 2014).

Nature/culture: samenhang

Factoren die de ontwikkeling van hersennetwerken beïnvloeden zijn feedback, welbevinden en voldoende uitdaging (Jolles, 2007). Ook de verwachtingen die docenten van studenten hebben en de steun en inspiratie die de student van de docent krijgt, zijn van belang. Dit maakt dat er niet alleen tussen jongens en meisjes, maar ook binnen beide geslachtsgroepen, sprake is van grote verschillen in non-cognitief functioneren (Jolles & Keizer in Belfi et al., 2015). Dat sluit aan bij de stelling van de Canadees-Britse psycholoog, publicist en hoogleraar wetenschapsfilosofie Cordelia Fine dat het biologisch geslacht wel van belang is voor de hersenontwikkeling, maar dat dit niet leidt tot enorm grote breinverschillen. Er bestaan geen specifiek mannelijke of vrouwelijke breinen. De seksuele differentiatie van hersenen is een dynamisch proces waarbij allerlei genetische en epigenetische (omgevings)factoren een rol spelen. Volgens Fine is het ook onjuist om te spreken van specifiek mannelijke of vrouwelijke ‘naturen’ of eigenschappen. In haar boek ‘Delusions of gender’ uit 2011 toont Fine aan dat nature en nurture niet los van elkaar gezien mogen worden. Er bestaan weliswaar sekseverschillen in de hersenen, maar daarmee is niet gezegd dat er ook grote sekseverschillen zijn in prestaties tussen mannen en vrouwen. Volgens Fine zijn er in de hedendaagse wetenschap hiernaar verrassend veel lacunes, aannames, inconsequenties en methodologische gebreken te vinden (Fine, 2011). Ze pleit ervoor hersenonderzoek en sociale context niet los van elkaar te zien: de circuits in de hersenen zijn een product van onze fysieke, sociale en culturele omgeving én van ons gedrag en onze gedachtes.

Ook Jolles (2016) geeft aan dat het bij jongens-meisjesverschillen gaat om bio-psycho-socio-culturele interacties: nature én nurture. Competenties hangen af van ervaringen en oefening. Bovendien beïnvloedt de omgeving de bio­logische en psychosociale ontwikkeling. Culturele factoren (zoals ongelijkheid in de manier waarop met jongens en meisjes wordt omgegaan) kunnen er de oorzaak van zijn dat sekseverschillen variëren tussen buurten en wijken en tussen culturen en landen. Nature en nurture beïnvloeden elkaar in een continu proces. We zijn van jongs af gewend ons aan te passen aan het gedrag van onze mede­mensen. Genderstereotypen, rollen en normen worden doorgegeven via ouders, vrienden, docenten, speelgoed, scholen, taal, media. Genderongelijkheid lijkt zich hardnekkig genesteld te kunnen hebben in de haarvaten van onze maatschappij, omdat wij mensen de genderongelijkheid in stand houden. Dat gebeurt lang niet altijd bewust – en dat is precies wat er zo verontrustend aan is. Kijk en luister om je heen. Hoe vaak hoor je geen uitspraken als “Dat is toch niks voor een jongen?” of “Meisjes slaan niet.” Stoere prinsessen en schattige ridders: ze zijn zeldzaam.

Pleidooi voor nurture

Het stimuleren van jongens – in hun onderwijsloopbaan en daarbuiten – vereist een perspectief dat breder is dan het vaststellen van (veronderstelde) sterke en zwakke eigenschappen van jongens. Het onderwijs daarop inrichten kan leiden tot ongewenste beperkingen en tot stereotyperingen.

Om meer oog te ontwikkelen voor diversiteit kan het denken in groepskenmerken wel helpen. Het onderwijs moet immers niet alleen aansluiting zoeken bij leerlingen, maar ook ervoor zorgen dat hun minder ontwikkelde capaciteiten verder ontwikkeld worden. Zo is het voor jongens én meisjes belangrijk om goed te leren samenwerken, te plannen en te organiseren, en te leren reflecteren op eigen gedrag en vaardigheden. Maar óók om te leren omgaan met competitie, om grenzen te (durven) verkennen en out of the box te denken. Waarom zouden we ‘competitie’, ‘actie’ en ‘uitdaging’ wel voor de jongens inbedden in het onderwijs, terwijl meisjes hier eveneens bij gebaat kunnen zijn? Die vraag is zeker legitiem gezien het gegeven dat meisjes het wel beter doen in het onderwijs, maar dat dit zich niet vertaalt in een betere positie op de arbeidsmarkt (Belfi, Levels & Van der Velden, 2015).

Dus ja: er is verandering gewenst in onderwijs en opvoeding. Zoals Jolles het verwoordt in de NRC van 14 september (Remie, 2017): “Leraren en ouders zouden kinderen niet als jongen of meisje moeten opvoeden, maar als kind.” Daarbij moeten ze volgens Jolles wel rekening houden met de verschillen die er van nature zijn: de meeste meisjes lopen voorop in taal, jongens in ‘doen’. “We moeten ons realiseren dat kinderen nog werk in uitvoering zijn.” Hoe? Een jongen die een beetje impulsief is, moet feedback krijgen. “[…] zodat hij zelfinzicht ontwikkelt, betere schoolcijfers krijgt en nieuwsgierig blijft.” Meisjes zouden juist extra gestimuleerd moeten worden in ondernemend zijn en risico’s nemen – geheel niet in lijn met wat de SIRE-campagne suggereert.

Dit artikel is een bewerking van een studieopdracht van Pia Leenen in het kader van de Master Educational Needs aan Fontys OSO (augustus 2017).

deel dit artikel